Alles gaat teloor

Ik vertoef met enige regelmaat in een tegeltuintje aan de Altenawal. Met uitzicht op de Merwede. Om familiaire redenen, zeg maar en om de planten in het smalle bordertje bij te knippen en de resten van een doorgeschoten Albert Heijn-tuintje in bedwang te houden. Aan dit tuintje trekt wandelend Gorinchem voorbij. Men groet, knoopt een praatje aan en levert commentaar op de stadse actualiteit. Ik bedoel, een uurtje in het tuintje en je bent weer op de hoogte van wat er leeft onder het volk. Zo hoor ik in vijf luttele minuten eerst dat de Vereniging tot Behoud van het Lingelandschap (VBL) ophoudt te bestaan en zo ook de Pinkstermarkt op tweede Pinksterdag respectievelijk bij gebrek aan bestuursleden en bij gebrek aan marktkooplui. Of marktkooplieden, zo u wilt. Jammer, denk ik, alles gaat teloor. Er komt een moment dat we naar dat prachtige landschap terugverlangen en naar de dronken vechtpartijen op tweede Pinksterdag. Zeker weten. Tenslotte missen we schoonheid pas als het voorbij is.

"Wat zou hier wel niet allemaal onder de grond zitten", zegt een man met hoed tegen zijn of een vrouw, doelend op de kapitale, deels leegstaande burchtbouw op de prachtigste plek van het oude verpleeghuis, "daar kraait geen haan naar, terwijl dat slordige rijtje stenen Buiten de Waterpoort volgens sommigen voor een duivels dilemma zorgt." "Ik kan er niet bij", voegde hij toe, "zal je zien dat ze dat hotel - die zogenoemde gele pisdoos - straks in Arkel neerzetten en dat men dan dáár van heinde en verre naar toetrekt. Willen ze in Gorinchem allemaal bij Arkel horen in plaats van andersom." Veel tekst in het voorbijgaan, maar hij stond langdurig stil - zoals velen - bij het witte fraai gerenoveerde pand van ooit-de Bie, tussen Burcht en vuilwitte flat, achter de twee gewraakte bomen. Hier stopt ook een uiterst pril liefdespaar, een jongen en een meisje deze keer. Innig omstrengeld. "Dit zijn ze", zegt het joch. Hij klinkt oprecht bedroefd. "de bewuste bomen. Ze zijn vermoord. Deze bomen hebben er ooit voor gezorgd, dat hier niet ook een hoog appartementencomplex is gekomen. Ik hield van die bomen, zo jong als ik was." "Wat is er gebeurd?", vraagt het sluikharige meisje bezorgd. "Iemand", verhaalt de jongen, "heeft in de bomen een gat geboord en er gif in gespoten." "Echt?', roept het meisje verontwaardigd, "wat een klootzak, hebben ze hem gepakt?" "Geloof het niet", zegt het joch - lage broek, eigentijds kapsel - mismoedig, "maar ze hebben ook niet echt gezocht, geloof ik."

Ze staren mismoedig naar de twee trieste vier meter hoge boomstompen, waaraan hier en daar een verlegen takje ontspruit, met twee of drie blaadjes eraan. "Weet je", zegt het joch na een lange stille pauze, waarin de innige omstrengeling voortduurt, "alles wat mooi is gaat teloor."

"Weet je wat ik denk", zegt het meisje, "dat ze over veertig jaar het dagboek gaan verfilmen van een vluchtelingenkind, dat eindigt op het moment dat ze met haar familie op een boot stapt, die een dag later zinkt, dat denk ik." Het valt uit de lucht, maar toch ook weer niet. "Wat een wijs stel", denk ik, terwijl ik een laatste tak van de hortensia knip.