Ik heb een potje met..

'Heb je alles?' vraagt moeder aan dochter. 'Jahaa… ', hoor je dochter zuchtend antwoorden. Het is etenstijd en overhaast zie ik moeder en dochter in dezelfde t-shirts door het huis rennen. Vanuit de achtertuin hoor ik de discussie. 'Weet je het zeker?', moeders weten dat ze soms beter dubbel kunnen checken. Vaak tevergeefs, maar dat terzijde. Nogmaals zucht dochter instemmend. Oké, snel gegeten, wandelschoenen aan, rugzakje met wat lekkers voor onderweg en een flesje water. 'We kunnen gaan, snel de auto in!' Moeder grist de autosleutels van de tafel en loopt als een ware drilmeester achter dochterlief aan. Wanneer iedereen in de auto zit, zie je hem wegrijden. Om na 1 meter weer te stoppen. Zonder de discussie daadwerkelijk gehoord te hebben, weet ik wat er gebeurd is. Bij het wegrijden heeft moeder gevraagd of de dochter nog is wezen plassen. Het feit dat de auto stopt, iedereen weer uitstapt en moeder met de sleutel in de deur blijft staan wachten, zegt genoeg. Ook zonder kinderen of eigen verplichting om mee te lopen dit jaar, weet ik dat het weer zover is: de avondvierdaagse! De stad ademt deze week het wandelfestijn. Van de dranghekken op het stadhuisplein tot de snoepkettingen bij de supermarkt. Dezelfde kettingen die je op vrijdagavond om de halzen van de kinderen met roodgloeiende wangen van vermoeidheid weer mee naar huis ziet komen. Het is een enerverende week, of je nou de 5, 10 of 15 kilometer aflegt. Jarenlang heb ik vanuit de haarwijk de gekleurde en bruisende stoet kunnen aanschouwen. Elk jaar weer liep de route door mijn straat. Als ik zelf niet liep, kon ik de stoet al van verre horen aankomen. Er is altijd wel een groep die 'het potje met vet' heeft ingezet of een groepje meisjes dat loopt te keten. Op de voet gevolgd door de ouders die elkaar opgezocht hebben voor de gezelligheid en die ene ouder die de trage kindjes vooruit probeert te krijgen. Elk jaar heb je ze er weer bij zitten: de kids die overal op letten, behalve de groep en de route. Ook heb je de snoepers, die na twee kilometer al door hun snoepvoorraad heen zijn en misselijk worden. En je hebt de plassers, die altijd op de plek waar het nét niet kan roepen dat ze moeten. Tja, het hoort er allemaal bij. Toch voel je het enthousiasme van de kinderen. Ze willen die medaille. En als je dan op die laatste avond, tergend langzaam (want écht je staat meer dan je loopt die avond), met het defilé de binnenstad bereikt en die vol behangen kinderen met een grote grijns op het gezicht ziet. Dan weet je: volgend jaar weer!

Laura Sterk