Opgravingen

Ik ga toch af en toe even kijken. Bij de opgravingen. Een wandelingetje naar Buiten de Waterpoort, waar de opgravingen zijn blootgelegd is altijd goed voor een frisse neus in dit jaargetijde. Maar toch ook, omdat ik op de hoogte wil zijn van deze wellicht historische vondst. Ja, stuit je bij het begraven van het dode hobbykonijn in je eigen achtertuin op een oude muur, dan gooi je het gat snel weer dicht, maar verder van huis, buiten de waterpoort, dat is andere koek.

Het is altijd erg rustig bij de opgraving. Je kunt niet zeggen dat de mensen van heinde en verre er in grote getale naar toe drommen. Misschien moet de belangstelling nog een beetje loskomen, nu in deze nostalgisch stemmende tijd tussen Kerst en Oud en Nieuw.

Deze keer echter tref ik er twee gekaplaarsde jongens, pak 'm beet een jaar of elf. Knapen, zeg maar, met oog voor de natuur en hun omgeving. Dat kon je zien, want ze keken aandachtig om zich heen, nieuwsgierig en belangstellend als het ware. "Is dat nou alles", sprak de langste. Er trok een verbaasde en tevens teleurgestelde rimpel in zijn voorhoofd. "Denk 't", zei de kleinere, die weliswaar kleiner, maar toch best groot was voor zijn leeftijd. "Alleen maar een paar muurtjes", zei de lange weer. "Ik zie ook helemaal geen schietgat", klaagde de minder grote. Ze keken werkelijk beteuterd.

Ik schraapte de keel. Ik voelde dat ik het op moest nemen voor deze weerloze historische resten. "Het is natuurlijk wel héél oud, hè, mannen, het vertelt ons veel over de geschiedenis van onze stad, de geschiedenis van onszelf eigenlijk." Ze keken me aan, welwillend. "Ja maar", zei de kleinere, "neem nou die keet daar" - hij wees met het hoofd op de bovenmaatse snackbar annex Riveer-wachtruimte, die ooit met weinig architectonisch en cultureel besef grijs en groot in het hart van BdW was neergelaten - "als ze daar over 500 jaar of zo de resten van vinden, dan is dat toch ook niet opeens heel bijzonder." "Nou, dat weet je niet", zei de lange aarzelend, "maar weet je wat het is, ze wouwen er een pisdoos bouwen." "Een pisdoos?", schrok de kleine. "Ja, een gele."

"Wat is dat dan, een pisdoos", drong de kleine aan. "Weet ik niet precies", zei de ander, "maar het is in ieder geval heel lelijk, dus daar zijn ze tegen, heel veel mensen." Ik schraapte de keel weer en legde geduldig uit, dat het om een hotel ging, in een moderne architectuur, met inderdaad een geelkleurige opstaande wand op het dak. Misschien dat mensen het mooi zouden vinden als het bijvoorbeeld in Rotterdam stond, maar hier dus niet. "En bij geel denken sommige mensen aan plas, begrijp je?" Ze begrepen het niet. Zelf dachten ze bij de kleur geel aan voorjaarsbloemen en de zon. "Er stond toch ook een café of zo?", zei de kleine weer. En toen, bedachtzaam: "als die mensen van dat café toen geweten zouden hebben, dat ze bier zaten te drinken bovenop die resten, van die muur, zouden ze dan ook er vóór zijn geweest om het café af te breken om die opgravingen op te graven?" "Denk het niet", zei de lange, "het is maar een muurtje. Wat denkt u?" Ik wist het niet. Of ik wist het eigenlijk wel, maar ik zei het niet. Ik vind de opgegraven resten heel interessant. Maar ik vind ook, een beetje stiekem, het ontwerp van het voorgenomen hotel best goed. En mooi, de combinatie van oud en modern. Ik bedoel, elke waarheid heeft zoveel kanten. Ik wens u een goed Nieuwjaar.

Jos Huibers