Prins Hermelein

Het Carnaval laat zich niet kisten. Zelfs niet in onze bovenrivierse Bliekenstad. Ook de sluiting van de immense lekkende praalwagenbouwplaats aan de Spijksedijk heeft de fervente Bliek niet kunnen ontmoedigen. Er komt gewoon een optocht met loopgroepen, huurwagens en praalwagentjes, die in de eigen garage ineen zijn geknutseld. Vol vereende kracht en voorpret. Ook Herman, Sharon en Louis staan te trappelen om in de gewaden te springen van prins Hermelein – met korte ei – prinses Sharmaine en adjudant Aloysius.

Spijtig genoeg ontbreekt bij mij het Carnavalgen. Ik mis het vermogen mij over te geven aan de Carnavalshuffle of mij te voegen in de polonaise, zonder op gevoelige tenen te gaan staan. Maar het zou ook best een trauma kunnen zijn. Opgelopen in de vroege jeugd. U moet namelijk weten, mijn moeder zaliger was een Limburgse. Zij kwam uit het pittoreske Hoensbroek en trouwde, tot verdriet van velen daar met een Hollander, mijn vader. Op zich was dat redelijk goed te doen, met uitzondering van drie a vier dagen per jaar. En wel tijdens het Carnaval. Dan moesten mijn vader en ik mee naar Hoensbroek. Bij het volstrekt ontbreken van enigerlei Haagse carnavalswinkel zorgde mijn moeder voor de kleding. Dit betekende dat ik de pyjama van mijn oudere zus aan moest en mijn vader de pyjama van mijn moeder. De pyjama van mijn zus was van het nostalgische type baby-doll, een rose bebloemd gewaadje met pofpijpjes. De pyjama van mijn moeder was een sneeuwwit kanten nachtgewaad, waarboven het hoofd van mijn vader schaamrood afstak. Om van mijn hoofd maar te zwijgen. Maar mijn moeder wilde van protesten noch tegenwerpingen horen. Tenslotte was zij de carnavalexpert. Zij peperde ons in dat dit leuk was, heel, heel erg leuk, dat moesten wij stijve Hollanders nou maar eens begrijpen. Zij tekende met een speciaal stiftje wat olijke sproetjes op onze wangen, verfde ons haar groen en joeg ons de veel te kleine Volkswagen in, die mijn vader dan lamgeslagen naar Hoensbroek stuurde. Begrijpt U? Direct na de Kerst begon ik al tegen de Carnaval op te hikken: zweetaanvallen, nachtmerries, angstaanvallen, bedplassen.

Zo'n jeugdtrauma is hardnekkig hoor. Zeker in combinatie met het ontbrekende Carnavalgen. Zodra prins Hermelein in de verte opdoemt, begint mijn hart woest te rammelen, gutst het zweet. En zelfs prinses bezorgt mij ademnood. Dan duik ik tegen wil en dank een portiekje in. Daar wacht ik ademloos tot de Blieken weer voorbij zijn. In Bliekengat. Daar benijd ik hen in stilte, die de shuffle doen, in de polonaise, in een kieltje, een lollig pak, dronken van eh.. vreugde.

Jos Huibers