Vanaf de WalIlhan

Bijna had ik deze kolom deze week gebruikt voor een persoonlijk ongenoegen. Maar Ik zie er vanaf. Voor persoonlijke kwesties is deze plek in de krant natuurlijk niet bedoeld. Maar, stel dat ik er niet zelf gewoond zou hebben, dan had ik zeker mijn ongenoegen geuit over de toestand van de Vissersdijk, warempel wel de breedste straat in de Bovenstad. De straat, waar de hulpdiensten van allerlei soort te pas en te onpas en bij andere calamiteiten in beide richtingen met ongelimiteerd hoge snelheid doorheen racen. Deze Vissersdijk is de enige straat in de binnenstad, waar al gedurende twintig jaar geen enkele vorm van onderhoud is gepleegd. Geen leuke gele IJsselsteentjes op de stoepen, geen parkeerhaventjes, geen beplanting, geen stemmige oudgroen Anton Pieck-lantaarnpaaltjes. Niets van dat al. Het plaveisel van straat en stoep wordt gevormd door een slordig mozaïek van gebroken en gebarsten stoeptegels, waarvan de brokstukken vaak ondersteboven liggen. Geen invaliden- of kinderwagen durft zich hierop te wagen. De postbode schuifelt voorzichtig aan één zijde van de straat en de bezorger van De Stad Gorinchem vertoont zich er al maanden niet meer. Ik ontvang de krant maar hoogst zelden, ondanks het feit, dat ik de (toenmalige) bezorger rond de jaarwisseling een onvervalst eurotientje heb toegestopt. Maar van het melden van dit ongenoegen zie ik dus grootmoedig af. Geen persoonlijk leed in deze kolommen. En natuurlijk begrijp ik ook wel, dat de herinrichting van de Raadzaal in ons Gemeentehuis en de opwaardering van de Groenmarkt in onze Benedenstad belangrijker zijn dan een armzalig Vissersdijkje in de Bovenstad. Bovendien woont er ook al twintig jaar geen wethouder. Dus wie kraait er naar? En je moet als stad natuurlijk ook niet zowel voor toeristen als voor bewoners aantrekkelijk willen zijn.

Daarover geen woord dus, deze keer. Ik wil het graag hebben over een thans zeer uitzonderlijke gebeurtenis in de Gorkumse politiek. Er werd een haast vergeten daad gesteld, die herinnert aan lang vervlogen tijden. Tijden, waarin de politiek nog niet van waarden was ontdaan, nog niet vervreemd was van het volk. Tijden waarin opportunisme en ijdelheid nog onder de ondeugden gerekend werden. Namelijk: Ilhan Tekir, de Nederlandse Turk - of was het Turkse Nederlander? - die vorig jaar om nog steeds discutabele redenen uit de fractie van GroenLinks werd verwijderd, heeft zijn zetel terug gegeven aan GroenLinks, op de dag dat hij besloot zich aan te sluiten bij D66. Dit getuigt van een politieke zuiverheid, die jaren her bij onze Hollandse politieke cultuur hoorde. Mooi dat uitgerekend Ilhan ons aan deze oude, verweesde gewoonte herinnert.

Je mag toch hopen dat het hier en daar bij meer opportunistische lieden in de Raad, voor enig schaamrood zorgt: de heer H, die zich, een week na zijn verkiezing tot raadslid voor Gorcum Actief aansloot bij Stadsbelang, de dame T, die na ruzie bij D66 op haar stoel bleef zitten om een nieuwe partij - Democraten Gorinchem - voor te bereiden, tezamen met de heer P., die hetzelfde doet, maar dan doodleuk vanaf zijn huidige PvdA-zetel. Het duizelt maar door. Misschien stem ik straks wel op Ilhan.