Vanaf de WalKerst mis

Wij hadden de kerstbrunch zojuist gevierd. De kinderen waren ervoor naar huis gekomen. De tafel was er mooi voor opgesierd, met kaarsen, kerststol met amandelspijs en versgeperst sinaasappelsap in sierlijke wijnglazen. En met Bach op de achtergrond. Ja, met Kerstmis luister ik altijd graag naar de muziek van Bach. Ik weet eigenlijk niet of Kerst mij nou in de Bachstemming brengt of Bach mij in de Kerststemming, maar wat dondert het, vrouw en kinderen zijn eraan gewend. Ik slofte naar de houtopslag om de warm brandende kachel bij te vullen. Het hout is opgetast aan één zijde van onze tweedehands carport. Buiten de tuin. Toen zag ik Govert. Hij sleepte een onttakelde kerstboom door de steeg, een spoor van losgeraakte naalden achterlatend. Kennelijk op weg naar de ondergrondse vuilcontainers. Aan de vrijwel kale boom hing nog een kapotte bal en een zilverkleurig sliertje. Govert is een tachtigjarige wijkgenoot en sinds anderhalf jaar weduwnaar. "Weduwnaar van Mientje", zegt hij altijd treurig, alsof zijn hele bestaan is gereduceerd tot het weduwnaarschap, "en kinderen zijn ons nooit vergund geweest." Hij ziet er sjofel uit op deze eerste kerstdag. "Ruim je de boom nu al op", vraag ik opgeruimd. "Ja", mompelt hij, "het kolereding valt uit als de pest en er komt toch niemand naar kijken." Hij heeft gedronken, daarvan getuigt een fikse kegel, en dat is op dit uur van de dag ook voor hem ongebruikelijk. "Ik dacht, ik doe die boom weg, dan is die kerst ook meteen afgelopen", hij kijkt me secondenlang aan, "maar dat is natuurlijk onzin, overal waar je kijkt branden kaarsen en lampjes en overal staan bomen, binnen en buiten en overal van die kerstliedjes en mensen in mooie kleren. En iedereen krijgt visite. Het gaat allemaal gewoon door." Hij vecht vergeefs tegen zijn tranen. "Ik mis Mientje", bibbert hij, "ik mis haar zo, speciaal op dit soort dagen. Zij kon daar altijd iets moois van maken, ze versierde het huis, maakte lekker eten klaar. Ik kan dat niet, echt niet, ik ben zo'n waardeloze vent. Ik hoop het nooit meer mee te maken... Kerstmis." Hij huilde nu echt, twee tranen slopen langzaam langs zijn doorgroefde wangen. "Heb je niemand uitgenodigd, Govert?", vraag ik, "of ga je naar iemand toe?" "Nee", bromt hij ongeduldig, "wie zit er nou te wachten op zo'n ouwe chagrijnige kerel. Ik zou trouwens niet weten wie ik zou moeten vragen. Na Mientje zie ik niemand meer."

"Jos, kom je", roept een van de dochters door een kier van de tuindeur. "Ga je effe mee, bakje koffie", vraag ik aarzelend. Eerlijk is eerlijk, ik voel mij, hoewel vervuld van kerstgedachten, heel onhandig en onvolkomen. "Nee joh", bromt hij, "laat mij maar." En hij sleept zich verder, met zijn kale boom, met één kapotte bal en een zilverkleurig sliertje.